In 1992 verscheen er een nieuw meisje op onze opleiding.

Ze was van ver gekomen, al weet niemand meer precies uit welk dorp.

Aziatische ogen, een opgewipte neus, een strakke vlecht en altijd rode blosjes op haar wangen.

Ze ging in het studentenhuis wonen, samen met andere meiden uit naburige steden.

Haar karakter was zachtaardig, en dom kon je haar ook niet noemen.

Een echt vriendelijk en oprecht mens.

Wel gebruikte ze in gesprekken vaak woorden die inmiddels ouderwets of archaïsch klinken: “heden ten dage” in plaats van “vandaag”, “hunne” in plaats van “hun”, “wat is dat” werd “wat is het”, “ziekelijk” in plaats van “ziek”, en ze legde de klemtoon altijd verkeerd: “magAzijn”.

En dus kreeg ze al snel de bijnaam “Boerentrien”.

Toen kwamen de eerste examens eraan.

Sommigen hoopten op geluk, anderen vertrouwden op zichzelf.

Maar ons meisje studeerde ijverig, miste nooit een college en kreeg voor veel vakken al een automatische voldoende.

Eén docente echter had een uitgesproken afkeer van haar.

— Wat moeten die dorpelingen hier eigenlijk? Geen gezicht, geen verstand, maar toch willen ze naar de stad! — roddelde ze. — Laat ze maar niet denken dat ze bij mij zomaar een voldoende halen! — zei ze met een toon die geen tegenspraak duldde.

Toen brak de dag aan van een van de moeilijkste en meest gehate examens.

— We gaan per vijf de zaal binnen, neem een papiertje, pen en je studentenboekje mee. — riep de docente.

De “Boerentrien” zat bij de eerste vijf.

Ze liep zelfverzekerd naar binnen, trok een examenvraag, ging zitten, dacht even na en begon rustig te schrijven.

De anderen keken nerveus om zich heen.

Na een tijdje stond ze op en was als eerste klaar voor haar mondeling.

— Voor ik antwoord geef op de vraag, wil ik u graag bedanken.

Ondanks alles vindt u toch telkens weer de kracht om ons — niet bepaald de slimsten — zo’n belangrijk vak bij te brengen.

Om u daarvoor te bedanken en ons respect te tonen, hebben we een hele maand lang uit uw boeken en readers gestudeerd. — zei ze zacht, op een eenvoudige en warme toon.

Ze gaf een uitstekend antwoord. Er viel werkelijk niets op aan te merken, ze kende het vak goed.

’s Avonds dacht het meisje terug aan het moment waarop ze toevallig in de keuken was en hoorde hoe andere meiden over deze docente roddelden.

Ze vertelden dat haar man haar had verlaten voor een jonge studente.

Het meisje voelde toen zo’n medelijden met haar.

Ze dacht aan haar eigen jeugd: haar vader was ook vertrokken, en haar moeder had in haar eentje vier kinderen grootgebracht.

Die herinnering raakte haar diep.

Ze wilde de docente gewoon iets hartelijks zeggen, en zelfs haar angst voor het examen verdween daardoor naar de achtergrond.

Tegen het einde van de opleiding waren zij en de docente goed bevriend geraakt, ze vonden veel gemeenschappelijke interesses.

Het is mooi als je inzet en betrokkenheid op waarde worden geschat — als men eerst de mens in je ziet, en pas daarna al het andere.

Iedereen verlangt naar een beetje warmte.

Laten we die beetje bij beetje weggeven, in plaats van het op te kroppen.